Het eenheidsoctrooienhof: de toekomstige kosten van octrooiprocesvoering in Europa

Mei 2016

Het eenheidsoctrooienhof (UPC) is de eerste pan-Europese burgerlijke rechtbank en vertegenwoordigt als zodanig een aantal nieuwe uitdagingen. Een van die uitdagingen ligt op het gebieden van de kosten, zowel de kosten die moeten worden betaald om bij het UPC een procedure te starten als het niveau van de kosten die een succesvolle partij kan verhalen op de verliezende partij. Het is van vitaal belang voor het UPC dat een geschikt kostenstelsel wordt aangenomen dat voor zoveel mogelijk gebruikers van het systeem aantrekkelijk is, van MKB tot en met multinationals. Om die doelstelling te bereiken, is het kostenstelsel dat nu voor het UPC zal worden ingesteld verre van ideaal.  

Daarbij moet niet worden vergeten dat de nationale gerechtshoven van alle deelnemende landen ieder hun eigen benadering van de kostenkwestie hebben en dat met het kostenstelsel voor het UPC begrijpelijkerwijze wordt geprobeerd een aantal van deze verschillende benaderingen te combineren. Verder zal uiteindelijk van het UPC wordt vereist dat het zelffinancierend is (de UPC Overeenkomst stelt: "het budget moet in balans zijn"), iets wat spanning opwekt in de context van een gerechtshof dat is gepubliceerd als toegang biedend tot recht voor het MKB. In dit licht gezien zijn de huidige voorstellen een begrijpelijk compromis, maar kunnen deze een grote impact hebben op hoe aantrekkelijk de optie UPC zal zijn voor rechtzoekenden.

Het UPC zal uiteindelijk het enige hof zijn met jurisdictie over geschillen inzake via het EPO toegekende octrooien, ongeacht wanneer de octrooien werden toegekend en ongeacht of ze al dan niet een eenmakend effect hebben. De eerste 7 jaar zal echter de standaardpositie van Europese octrooien zonder eenmakend effect ('traditionele Europese octrooien') zijn dat ze in elk geval onderworpen zijn aan de jurisdictie van zowel het UPC als het betreffende nationale gerechtshof. Tijdens deze overgangsperiode kan voor traditionele Europese octrooien worden gekozen voor opt-out uit de jurisdictie van het UPC, waardoor het octrooi alleen onderworpen zal zijn aan nationale procesvoering. Rechtzoekenden zullen daarom kunnen kiezen waar ze hun procesvoering willen laten beginnen, waarbij de kosten een belangrijke factor zullen zijn bij het nemen van de beslissing.

Het UPC zal voornamelijk vorderingen wegens inbreuk, herroepingen en verklaringen van niet-inbreuk afhandelen. Het rechtbank van eerste aanleg zal een Central Division hebben (die opgesplitst is tussen Londen, Parijs en München) en in de individuele lidstaten Local en Regional Divisions. Procedures inzake herroepingen en verklaringen van niet-inbreuk zullen bij de betreffende vestiging van de Central Division worden aangespannen, terwijl het merendeel van de inbreukprocessen bij Local en Regional Divisions wordt gevoerd.

Inbreukprocessen

Voor het starten van een inbreukprocedure zullen de griffierechten bij het UPC voor een deel bestaan uit vaste kosten en voor een deel uit op waarde gebaseerde kosten. Het vaste bedrag voor alle inbreukprocedures is € 11.000. Deze kosten zijn ook van toepassing op tegenvorderingen wegens inbreuk en het starten van een proces voor een verklaring van niet-inbreuk. Bij deze zaken zullen er ook aanvullende op waarde gebaseerde kosten zijn, die moeten worden betaald bij alle processen inzake waarden van meer dan € 500.000. De op waarde gebaseerde kosten nemen in banden toe, waarbij voor de bovenste band (processen voor meer dan € 50 miljoen) de op waarde gebaseerde kosten € 325.000 bedragen. Om dit in context te plaatsen: voor een vordering wegen inbreuk op een octrooi die werd toegekend door het Hooggerechtshof in Engeland, met inbegrip van een vordering tot onbeperkte schadevergoeding, waren de kosten net iets meer dan € 11.500. Dat is maar weinig hoger dan alleen al de vaste kosten die door het UPC voor inbreukprocessen in rekening zullen worden gebracht.

Procedures inzake herroepingen

Voor procedures inzake herroepingen bij de Central Division van het UPC zal eenvoudigweg het vaste bedrag van € 20.000 worden berekend. Bij dit type procedures zijn er geen op waarde gebaseerde kosten. Wanneer de procedure inzake herroeping wordt aangespannen door middel van een tegenvordering in een inbreukproces, zijn de kosten hetzelfde als de kosten die zijn betaald voor het inbreukproces, met € 20.000 maximale kosten. Op dit moment kost het ruim € 550 om een procedure inzake herroeping aan te spannen bij het Engelse Hooggerechtshof.

Overige kosten

Een volledige lijst van de griffierechten vindt u hier. Het is opmerkelijk dat voor een verzoek om voorlopige maatregelen € 11.000 in rekening wordt gebracht en dat voor een beroep nog eens kosten moeten worden betaald ter hoogte van het bedrag dat werd betaald voor het oorspronkelijke proces.

Kostenverlagingen/vergoedingen

Kleine en microbedrijven hoeven slechts 60% van de gestelde kosten te betalen, hoewel het restant eventueel zal moeten worden betaald indien het hof vindt dat de verlaagde kosten "duidelijk buiten verhouding en onredelijk" zijn in vergelijking met het financiële vermogen van de aanvrager. Ook moet een door het hof opgelegde boete worden betaald indien blijkt dat de rechtzoekende de volledige kosten had moeten betalen. Als aansporing om procedures te schikken is er een mechanisme voor vergoeding van een deel van de griffierechten wanneer de procedure door de partijen zelf wordt opgelost voordat bepaalde stadia van de procedure plaats hebben gevonden.

Verhalen van juridische kosten

Van groot belang voor rechtzoekenden is de mogelijkheid om na een succesvolle procedure de juridische en overige kosten op de opponent te verhalen.  De algemene regel bij het UPC zal zijn dat de niet-succesvolle partij de kosten van de succesvolle partij zal dragen. Dit concept zal bekend zijn bij gebruikers van de Engelse gerechtshoven. Er zijn echter een aantal beperkingen en uitzonderingen op deze algemene regel, die vaak afhankelijk zijn van de uitoefening van de beoordelingvrijheid van de rechter. Dat zijn:

  • Alleen 'redelijke en in verhouding staande' kosten kunnen worden verhaald
  • In gevallen van gedeeltelijk succes of in 'uitzonderlijke omstandigheden' kan het UPC beide partijen gelasten ieder hun eigen kosten te dragen of een verdeling van de kosten toepassen.
  • Een partij die onnodige kosten veroorzaakt zal deze kosten zelf moeten dragen, ongeacht de uitkomst van de procedure.
  • Het UPC zal een gespecificeerd plafond toepassen op de kosten die kunnen worden verhaald. Dit is een absolute bovengrens op basis van de waarde van de zaak.

Plafond voor verhaalbare kosten

Hoewel er in een beperkt aantal gevallen speelruimte is voor het verhogen of verlagen van het plafond, bepaalt het plafond voor verhaalbare kosten het maximale bedrag dat kan worden verhaald op basis van de waarde van de procedure. Bij zaken met een waarde van € 250.000 of minder is de bovengrens € 38.000 en de bovengrens stijgt op schaalbasis tot aan een plafond van € 2 miljoen bij zaken met een waarde van meer dan € 50 miljoen. Het gebruik van een schaal die uitsluitend aan de waarde van de vordering is gekoppeld veronderstelt dat de kosten van procesvoering proportioneel toenemen met de waarde van de vordering. Dat is geen juiste aanname.

Een zaak die tot € 4 miljoen waard is (met een kostenplafond van € 400.000) kan net zo complex zijn als een zaak ter waarde van € 50 miljoen. De succesvolle rechtzoekende in de zaak ter waarde van € 4 miljoen heeft daarom waarschijnlijk meer verhaalbare kosten dan een gelijkwaardige rechtzoekende in een zaak met een hogere waarde. Verder wordt met deze plafonds het feit genegeerd dat ook voor vorderingen met de laagste waarde de noodzakelijke procedurele stappen nog steeds moeten uitgevoerd. Het laagste plafond zal een succesvolle rechtzoekende zeker niet compenseren voor het uitvoeren van deze basisstappen.  De gevolgen van het kostenplafond zijn daarom niet eerlijk voor rechtzoekenden met vorderingen met minder waarde.

Uiteindelijk zal het succes van het UPC afhangen van hoe het kostenstelsel in de praktijk uitwerkt, en zullen, met zoveel speelruimte voor de beoordelingvrijheid van de rechter, de handelingen van de UPC rechters bepalen of het systeem eerlijk werkt en de toegang tot recht, zoals beloofd door het UPC, wordt bevorderd.

Deze update is geschreven door Martyn Fish, HFG Law partner.